Het verhaal gaat over weduwnaar Stoffel, die een agrarisch winkeltje drijft en zich plotseling inbeeldt dat zijn laatste uren geslagen zijn.
Hij leest over zijn uitzonderlijke ziekte en gaat paniekerig gedrag vertonen,waarop zijn huisgenoten aanvankelijk nonchalant reageren.
In sprookjes en kluchten is alles mogelijk.
Zo verschijnt er een oosterse fakier ten tonele,
die grote invloed gaat uitoefenen op de
gebeurtenissen in huize Stoffel.
Het is duidelijk wat ieder in zijn schild
voert en daar maakt de plotseling
opduikende tovenaar danig misbruik van.
De verwikkelingen die elkaar in ras tempo
opvolgen, maken het spel tot een boeiend
kijkplezier, waarin de spelers bij herhaling
de volle zaal wisten mee te krijgen.
Gerard Beuvink zette een ziek manspersoon
Jacob Stoffel vol zelfbeklag op de planken,
die door huishoudster Lene, met goed
aanvoelingsvermogen gespeeld door Wendy Meijer,
met alle zorg wordt omringd.
Zoon Henk (Jan Peters) en zijn snibbige echtgenote Ina hebben meer moeite met hun (schoon)vader. Dochter Evelien kreeg in de vertolking van Els Kwakman wat meer reliëf, hoewel ook zij zich
door Aladino, de oosterse profeet, laat inpalmen. De veeleisende rol van fakier werd, met name in het tweede bedrijf, met veel geheime poespas en gemompel met verve vertolkt door Alfons Augustijn. Gerard Dunhof speelde een alleszins geloofwaardige winkelbediende Gerrit Kip, die door zijn bedrijvigheid de vaart van het stuk verhoogde. Dit gold ook voor Grady Benschop, die haar dankbare rol van bazige tante Isabel ten volle wist uit te buiten.
Regie: Gonny van Galen
Regie-assistent: Tineke Potman